A B O 1 2 3 4 5 6
In dit parallellogram
is de vectoriële vergelijking
van de rechte met nr. 2
A. \(\small\overrightarrow{P}=(1-k)\overrightarrow{A}+k.\overrightarrow{B}\)
B. \(\overrightarrow{P}=k.\overrightarrow{B}\)
C. \(\overrightarrow{P}=k.(\overrightarrow{A}+\overrightarrow{B})\)
D. \(\overrightarrow{P}=\overrightarrow{B}+k.\overrightarrow{A}\)
E. \(\overrightarrow{P}=\overrightarrow{A}+k.\overrightarrow{B}\)
A    B    C    D    E

[ 4-4580 - op net sinds 29.6.05-(E)-20.10.2026 ]

Translation in   E N G L I S H

IN CONSTRUCTION

Oplossing - Solution

1ste manier :
De theorie zegt dat een rechte door \(\vec P_1 \) met richtingsvector \(\vec S\) een vectoriële vergelijking heeft van  \(\vec P = \vec {P_1} + k.\vec{S} \)
Het antwoord is dus E want de rol van \(\vec P_1 \) wordt hier gespeeld door \(\vec A \) en de rol van de richtingsvector door \(\vec B \)
2de manier :
Voor een bepaalde waarde van de parameter k  MOET je  \(\vec A \) kunnen verkrijgen (zonder \(\vec B \))
Dit kan bij alternatief A door k = 0 te kiezen.
Dit kan bij alternatief E door k = 0 te kiezen.
Je moet ook \(\vec A + \vec B \) kunnen verkrijgen (het punt tegenover O)
Dit kan alleen bij E door k = 1 te kiezen.
gricha