De rechte AB, die niet door O gaat, bevat nog de punten P en Q (zie figuur).
De puntvector \(\frac{2\vec A+3\vec B}{5}\)
|
A. ligt op de rechte AB, links van A |
| B. ligt op de rechte AB, rechts van B |
| C. valt samen met P (\(\small\vec P\) ) |
| D. valt samen met Q (\(\small\vec Q\) ) |
| E. ligt NIET op de rechte AB |
[ 4-1654 - op net sinds 28.7.2026-(E)- ]
Translation in E N G L I S H
Oplossing - Solution
Een vectoriële vergelijking van AB is bijvoorbeeld \(\vec V=(1 − k)\vec A+k\vec B\)
Voor k = 0 kom je terecht in \(\vec A\)
Voor k = 1 kom je terecht in \(\vec B\)
voor k = \(\frac35\) zal je in Q terecht komen en dan verkrijg je inderdaad \(\frac{2\vec A\,+\,3\vec B}{5}\)
